dinsdag, 19 september 2017
Vraag Rijk
Online Schrijfhulp

Als ik kijk in die mand met gevonden voorwerpen op de school van onze kinderen, raak ik vervuld van weemoed. Die geur van natte kleren, oude schoenen, met hier en daar een vleugje 'nieuw' – want er liggen ook nieuwe spulletjes tussen – het neemt me mee naar mijn eigen lagere school, vroeger.

Maar dat is niet het enige wat me weemoedig stemt. Elk van die voorwerpen staat voor een klein kinderdrama, dat zich heeft afgespeeld of misschien nog gaat afspelen. Er is immers iets kwijtgeraakt, en dat blijft niet onopgemerkt. Niet waar?

Elk jaar als ik weer die blik werp in die kruidig geurende mand – daartoe word ik immers telkens weer indringend opgeroepen via luidruchtige pamfletten met final warnings – raak ik in een beschouwende bui. Zouden ze ons nog wel begrijpen, onze kinderen? Ze krijgen zo veel, vaak zo tegengestelde aanwijzingen van ons: Zorg goed voor je eigen spulletjes, wees er zuinig op en raak ze niet kwijt. Tegelijkertijd roepen wij op tot coöperatie en het loslaten van die bezitsdrang: Als je samen wilt spelen moet je samen delen. Om maar eens een voorbeeld te noemen.

En dan heb ik het nog niet eens over die vaak zo tegenstrijdige informatie die onze kinderen aflezen uit de omgeving die wij voor hen inrichten of uit onze manier van handelen. Denk maar eens aan de gewenste orde, opgeruimdheid en netheid van het klaslokaal, tegenover de ongeordendheid die ze aantreffen op het schoolplein in de vorm van vieze zandbakken, modderige paadjes, verrotte paaltjes, slecht onderhouden afrasteringen, bouwvallige muurtjes en uitgezakte speeltoestellen. Of kijk eens door de ogen van onze kinderen naar onze inspanningen om onze eigen omgeving schoon te houden, terwijl er evenzovele volwassenen zijn die bijvoorbeeld – veelal wegkijkend – hun hond de stoep weer laten bevuilen.

Vind je het gek dat we over dit soort tegenstrijdigheden 'kamervragen' krijgen? Waarom moet ik mijn speelgoed opruimen als ik er over een week weer mee wil spelen? Waarom mag ik mijn jas niet op school laten hangen als de zon is gaan schijnen? Waarom mag ons kleine broertje geen plasje doen tegen de lantaarnpaal in onze straat, en Fikkie wel? Dat wij geconfronteerd worden met die paradoxen is niet een teken van opstandigheid van onze kinderen, op weg naar de puberteit. Het is gewoon onze eigen schuld.

Op dat soort weemoedige momenten, aan de rand van die mand met gevonden voorwerpen, is er gelukkig altijd weer de troost. Troost bij de gedachte dat we toch in ieder geval probéren een verklaring af te geven voor al die tegenstrijdigheden, dat we toch probéren een aangename omgeving voor onze kinderen in te richten, dat we bijvoorbeeld zo'n mand neerzetten voor de gevonden voorwerpen van onze kinderen… Zodat zij later zullen zeggen: 'We begrepen niet zo veel van die ouwelui, maar ze deden in ieder geval toch hun best'.