dinsdag, 26 september 2017
Vraag Rijk
Online Schrijfhulp

Waar op de dis, gesneden uit het hout
van groot China, uit de stenen kan
koffie geplengd wordt en een geur van
gebrande noten, boterkoek en oud

Indië zijgt in de blauwte van de kroes,
bij gemoedelijke aanspraak en verhalen,
opdat de barre winden, buiten, genadig zijn,
daar kleurt een druppel melk een vage lijn

en doet een rank spoor van geel nederdalen;
een enkele pereling doordringt de mokkadroes
en deelt haar gele wezen mede
aan het zwarte blauw, de tanende gloed

van de melange: een tergend wrede
aanslag op koffies behaaglijk vloeibaar vuur.
En de kan, op tafel gebleven
waar zij ingetogen aan de boord

van de dis zich volzuigt aan kou en ongestoord
zwelt tot satijnen, lome warmte, even
na haar plengoffer aan de kring van kroezen,
de cirkel van bekers die beurtelings geheven

het onderhoud doen schommelen van
stemmig naar stil, een zwijgen vervuld van
gure geluiden die buiten aan de ramen kleven;
deze kan vult zich binnen met de metalen

koude van de winter die in stalen stralen
deze bunker binnenvalt en gloed komt halen
en in de vulkaan het vuur doet dalen;
een lijdzaam einde van mokka's zwarte gloed.


In: Poëziepuntgl, tijdschrift voor Gelderse dichtkunst, jaargang 3 - nummer 3 - september 2005.